Het onderzoek, gepubliceerd in het tijdschrift Genome Research en geleid door Marc R. Friedländer van de Universiteit van Stockholm, vormt een belangrijke stap vooruit voor de paleogenomica.
Nieuwe aanpak voor oud materiaal
De studie kijkt naar RNA in plaats van DNA om functionele informatie te achterhalen. Dat is opvallend omdat RNA veel fragieler is (het breekt veel sneller af dan DNA) en daardoor minder lang overleeft buiten een levend organisme.
De onderzoekers gebruikten weefselmonsters van spier en huid van het thylacine-exemplaar dat bewaard wordt in het Zweeds Museum voor Natuurlijke Geschiedenis. Strikte laboratoriumomstandigheden en authenticiteitscontroles zorgen voor betrouwbare resultaten en verkleinen het risico op menselijke of omgevingscontaminatie. In het bijzonder lieten de resultaten zien dat het merendeel van de sequenties overeenkwam met het bekende genoom van de thylacine.
Wat spier en huid ons vertellen
De RNA-profielen gaven inzichten in weefselgerichte functies van de thylacine. In de spiermonsters werden genen gevonden die te maken hebben met contractie en energiegebruik, vooral genen die geassocieerd zijn met langzame spiervezels. Die bevinding sluit aan bij de anatomische structuur van het gebied nabij de scapula (schouderblad) waar het monster genomen werd.
In de huidmonsters domineerden genen die verband houden met keratine, het eiwit dat belangrijk is voor de externe bescherming. Daarnaast wekten resten van hemoglobine-RNA de indruk dat er tijdens de preparatie van het specimen mogelijk bloed aanwezig was. Ondanks dat huidgevoeliger is voor contaminatie, bleven thylacine-sequenties in de analyse overheersen.
Wat dit betekent en wat er nu kan volgen
Naast functionele inzichten levert de studie ook aanwijzingen op voor virologisch onderzoek. Het team detecteerde sporen van oude RNA-virussen, een vondst die met voorzichtigheid bekeken moet worden en om verdere bevestiging vraagt. Als vervolgonderzoek deze resultaten bevestigt, zouden musea onverwachte archieven van virale evolutie kunnen blijken te zijn.
De identificatie van microRNA-moleculen breidt de bekende catalogus van thylacine microRNA flink uit. Dat omvat ook een thylacine-specifieke variant die met alleen DNA niet geïdentificeerd had kunnen worden. Deze gegevens verbeteren de annotatie van het thylacine-genoom en maken betrouwbaardere vergelijkingen met levende soorten mogelijk.
Het onderzoek toont het potentieel van moleculaire studies bij het bestuderen van uitgestorven dieren. Deze aanpak geeft niet alleen inzicht in hun genetische verleden, maar legt ook een breder beeld van hun biologische werking bloot, wat belangrijk is voor zowel wetenschappers als het brede publiek. Met de verdere ontwikkeling van de paleogenomica kunnen we waarschijnlijk nog meer verborgen verhalen van uitgestorven soorten blootleggen, en zo een stevigere en completere reconstructie van het verleden opbouwen.